Redacteur

Hoe gevaarlijk wordt de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen?

Dat de brandweer nog een kwaliteitsslag moet maken als het gaat om een betrouwbare informatievoorziening is geen geheim. Dat heeft de minister van Justitie en Veiligheid ook al kenbaar gemaakt aan de Tweede Kamer. Nu rijst de vraag hoeveel (majeure) incidenten met gevaarlijke stoffen er op jaarbasis plaatsvinden en of de brandweer daarbij adequaat en doeltreffend, maar vooral ook veilig kan ingrijpen. Het bestrijden van incidenten met gevaarlijke stoffen is immers een van de vier kerntaken van de brandweer. Het Veiligheidsberaad heeft  begin 2019 de minister verzocht om de veiligheidsregio’s de ruimte te geven om de doorontwikkeling van het specialisme incidentbestrijding gevaarlijke stoffen (IBGS) verder vorm te geven, vooruitlopend op de aanpassing van de regelgeving hieromtrent.

Daaropvolgend heeft de toenmalig minister van Justitie en Veiligheid bij brief van 26 juli 2019 het Veiligheidsberaad verzocht een kwalitatieve evaluatierapportage met de bevindingen en de stand van zaken van de doorontwikkeling IBGS op te leveren. Hierin kunnen ook de meerjarencijfers van zowel de voorbereiding als de inzet bij incidenten met gevaarlijke stoffen worden meegenomen om de effecten van de visie op IBGS duidelijker te maken. De minister vroeg ook de Inspectie JenV om mee te kijken bij de implementatie en evaluatie van de doorontwikkeling van IBGS in de regio’s.

De nieuwe minister van Justitie en Veiligheid geeft in een brief aan de Tweede Kamer aan dat uit de evaluatie van het Veiligheidsraad blijkt dat grote en majeure IBGS-incidenten minder dan 10 keer per jaar voorkomen en hierdoor slechts een klein aantal brandweermensen voldoende ervaring opdoet met majeure incidenten. De grote vraag is; onder welke omstandigheden is er eigenlijk sprake van ‘majeure’ incidenten? En hoe vaak komen deze voor in de dagelijkse praktijk? Wij tellen in één week 6 incidenten met gevaarlijke stoffen:

Het cruciale punt is dat de aard en omvang van incidenten met gevaarlijke stoffen door niemand valt te voorspellen. Dat geldt in gelijke mate voor andere incidenten zoals natuurbranden, overstromingen en pandemieën. Niets doen is geen optie. Maar welke maatregelen neem je dan wel? Is het verruimen van de wettelijke opkomsttijd van een specialistische eenheid van 30 minuten naar twee uur dan wel een goed idee? Sommige regiobesturen vinden dat wel een goed idee en hebben dat in hun dekkingsplan al vastgelegd en het ‘overtollige’ materieel en personeel afgevoerd.

Broos draagvlak
Of de gewenste doorontwikkeling om de bestrijding van majeure incidenten met gevaarlijke stoffen landelijk te organiseren ook daadwerkelijk leidt tot een effectievere en efficiëntere inzet die bovendien veiliger is voor hulpverleners en burgers, durven wij te betwijfelen. Het veronderstelde draagvlak voor deze ‘doorontwikkeling’ bij de vakorganisaties is er in elk geval nog niet. Niet omdat we tegen een efficiëntere en effectievere inzet van mensen en middelen zijn, maar omdat we nooit een antwoord hebben gekregen op onze vragen over de doorontwikkeling van het specialisme Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen (IBGS). Evenmin zijn de uitkomsten van de ‘kwalitatieve evaluatie’ en de bevindingen van de Inspectie JenV kenbaar gemaakt, dan wel met ons gedeeld. Samen met het ontbreken van betrouwbare incidentstatistieken maakt dat het vertrouwen in de doorontwikkeling van IBGS wel heel erg broos. Ons uitgangspunt is om het brandweerpersoneel geen onnodige risico’s te laten lopen bij incidenten met gevaarlijk stoffen. 

Position Paper VBV rondetafelgesprek Evaluatie Wet Veiligheidsregio’s

Baarn, 20 februari 2022

Geachte leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, beste Kamerleden,

Het is voor de brandweerzorg in het algemeen en voor de 19.000 brandweervrijwilligers in het bijzonder een mooie opsteker dat wij vandaag hier in de gelegenheid worden gesteld om deel te nemen aan het rondetafelgesprek over de evaluatie van de Wet Veiligheidsregio’s en om onze bevindingen over de “Wet Veiligheidsregio’s in de praktijk” met uw commissie te delen alvorens u overgaat tot de parlementaire behandeling van het Kabinetsstandpunt.

In onze reactie gaan we dieper in op het Kabinetsstandpunt en de wijze waarop onze inbreng in zowel de evaluatiecommissie als door het Kabinet is gewogen. Daarbij ontkomen we helaas niet aan het trekken van stevige conclusies en dito standpunten. Niet om te oordelen maar om duiding te geven aan onze bevindingen. Die zijn (o.a. navolgbaar met hyperlinks in blauw) gebaseerd op het intensief en kritisch blijven volgen van ontwikkelingen in de 25 veiligheidsregio’s. Niet in de laatste plaats vanwege de invloed van deze ontwikkelingen op de fysieke veiligheid van de burgers en het brandweerpersoneel in ons land.

Op verzoek van de Minister van Justitie en Veiligheid heeft de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (hierna: VBV) een eerste reactie gegeven op het eindrapport van de Commissie evaluatie Wet veiligheidsregio’s (hierna: de Commissie). Onze aandacht was daarbij vooral gericht op de ‘Brandweerzorg van de toekomst’ en de positie van de vrijwilligers. Als het gaat over het inrichten van een toekomstbestendige brandweer als organisatieonderdeel van de veiligheidsregio’s geeft het Kabinet aan ‘een uitdaging’ te zien in de samenwerking tussen veiligheidsregio’s en in de totstandkoming van gedeelde kaders en uniforme werkwijzen. Hoe omvangrijk deze uitdaging is ervaren wij regelmatig.

Vrijwilligheid als pilaar

Maar liefst 82 % van het operationele personeel voor de brandweerzorg en rampenbestrijding in ons land is vrijwilliger. Mede daarom verbaast de VBV zich over het gebrek aan aandacht voor het concept vrijwilligheid in de Wetsevaluatie en over het standpunt van het Kabinet. Mensen die dit werk, bij nacht en ontij,  vrijwillig doen moeten de ruimte krijgen om dat mede zelf en op professionele wijze vorm te geven en niet door verschillende managementlagen in een vrijwilliger-onvriendelijk en bureaucratisch vormgegeven keurslijf worden gedwongen.

Als het gaat om invloed en inbreng van de VBV (artikel 68, tweede lid Wvr) in de ‘Adviescommissie Betrokkenheid Werkvloer’, de ‘Adviescommissie arbeidsveiligheid’ en de Jaarplannen van het Instituut Fysieke Veiligheid (hierna: IFV) bestaat deze door het IFV georganiseerde betrokkenheid inmiddels niet meer. Het IFV zegt in haar Jaarplan voor 2022 wel een betrouwbare partner en verbinder te willen zijn en blijven in het netwerk van crisisbeheersing en brandweerzorg. Wij constateren echter dat de wettelijke taken van het IFV rond de ‘Adviescommissie Betrokkenheid Werkvloer’, maar ook het Kenniscentrum Arbeidsveiligheid (KCVA) zijn verdwenen uit het Jaarplan 2022. Wat er met de strategische doelstellingen en het budget (in 2021 nog € 900.000) voor de verbetering van de arbeidsveiligheid van de operationele hulpverleners is gebeurd is onduidelijk.

De Minister van JenV geeft aan met het Veiligheidsberaad in gesprek te zijn over de rechtspositie van de brandweervrijwilligers. Het is goed om hier nogmaals te benadrukken dat wij zeer ingenomen zijn met de tussenkomst van uw commissie Justitie en Veiligheid die leidde tot de heroverweging van de denkrichting in het kader van de taakdifferentiatie. Daarmee is het behoud van Vrijwilligheid bij de brandweerzorg en de rampenbestrijding voor de toekomst geborgd. Met de keuze om alleen ‘bouwsteen 1’ verder uit te werken gaan wij ervan uit dat daarmee ook snel een eind komt aan het oneigenlijk, structureel en planmatig inzetten van Vrijwilligers voor (kazerne)diensten en de onbedoelde, maar ellendige gevolgen ervan. Een punt van zorg is nog wel het vraagstuk over de inwerkingtreding van de Wnra. Wij gaan ervan uit dat het Kabinet uw motie en ons voorstel zal opvolgen door in elk geval de Vrijwilligers buiten de Wnra te houden.

Unité de doctrine

Wanneer we kijken naar de basis voor de huidige Wet veiligheidsregio’s (hierna: Wvr) bestond er een door alle partijen (Rijk, regio’s, gemeenten en de branche) gedeelde visie op brandweerzorg. Deze zorg moest éénduidig, betaalbaar en kwalitatief goed zijn georganiseerd, met identieke zorg richting de burger in Nederland. In de memorie van toelichting van de Wvr werd dat als volgt aangeduid: “Als het gaat om veiligheid is het noodzakelijk voor alle burgers een uniform minimum niveau van veiligheid en van basiszorg te bieden.”  Gaandeweg zien we een wirwar aan normen en een lappendeken aan zorgniveau’s in het land. Zo heeft de regio Utrecht 7 parate duikteams en de regio Gelderland-Zuid 0. En waar de ene regio stopt met de inzet van tweepersoons bestelbusjes bij woningbranden, begint de andere met een nieuw experiment. En dan hebben we het nog niet eens over de uiteenlopende uitgangspunten in de regionale dekkingsplannen. Van een uniform niveau van veiligheid is daarmee geen sprake. Waar gaat het dan mis met het naleven van gemaakte afspraken en hoe voorkomen we dat 25 maal het ‘wiel’ opnieuw wordt uitgevonden?

Daarnaast zien we dat veiligheidsregio’s al voortvarend aan de slag zijn gegaan met het ‘toekomstbestendig’ maken van de brandweerzorg. Maar wel in lijn met de constatering van de Commissie: “sterk gericht op de vraag hoe ze met zo min mogelijk middelen binnen de eigen regio kan voldoen aan de wettelijke eisen.”
Zo heeft het Kabinetsstandpunt het bestuur van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord er niet van weerhouden om richting te geven aan een ‘veranderopgave’ voor de brandweer. Tegen de achtergrond van ingrijpende bezuinigingsopdrachten (in de veiligheidsregio Noord-Holland Noord structureel 1,5 miljoen euro) worden allerlei exotische uitrukvarianten bedacht. De Commissie en het Kabinet geven aan vertrouwen te hebben in de besturen om gezamenlijk te komen tot het vaststellen en handhaven van normen en standaarden voor de brandweerzorg. Op grond van onze ervaringen op het gebied van ‘Uitruk op Maat’ en ‘Gebiedsgerichte opkomsttijden’, hebben wij dat vertrouwen helaas niet. Daarom acht de VBV strakke regie op het totaal van de inhoudelijke opgaven door het Ministerie onontbeerlijk. Het voornemen om bepalingen over verplichte samenwerking en de daartoe benodigde uniformiteit op te nemen in het wettelijk kader vinden wij essentieel.

Theorie versus praktijk

Het kabinet onthoudt zich vooralsnog van een standpunt over de financiering van het stelsel. De grote vraag is of deze ambitie valt te combineren met de wijze waarop gemeenten de ambities van de veiligheidsregio’s faciliteren. Of beter gezegd; dat in de praktijk feitelijk onmogelijk maken. De aanhoudende taakstellingen hebben ervoor gezorgd dat de operationele capaciteit (slagkracht) van de brandweer, en daarmee ook de rampenbestrijding, inmiddels onvoldoende robuust is. Dit zorgt er naar onze mening ook voor dat noodzakelijke geachte verbeteringen in de kiem worden gesmoord vanwege het ontbreken van de financiële middelen.

Het Kabinetsstandpunt om de regionale risicoprofielen en de Nationale Veiligheid Strategie meer met elkaar in samenhang te brengen is naar ons oordeel onvermijdelijk. Het IFV constateerde immers al in 2018 dat er weinig aandacht is voor inhoudelijke samenhang tussen regionale thema’s en nationale thema’s en de doorvertaling daarvan naar elkaar. Waartoe dat in de praktijk kan leiden zagen we in juli 2021 in Limburg. Daar stond bijvoorbeeld in het eerste risicoprofiel van de veiligheidsregio Zuid-Limburg (december 2011) dat als gevolg van klimaatverandering de hevigheid van extreme regenbuien in de zomer en daarmee de kans op extreme weersomstandigheden en overstromingen zal toenemen.

Ook de Minister van JenV onderkende in 2015 dat bij de veiligheidsregio’s en hun crisispartners nog ontwikkelingen noodzakelijk waren om te komen tot een goede rampenbestrijding bij overstromingen. Vervolgens vertaalde het landelijk project ‘Water en Evacuatie’ in 2017 het belang van een plan voor reddingsoperaties naar een ‘handreiking redden van mens en dier tijdens overstromingen’. In de zomer van 2021 moesten duizenden mensen in Zuid-Limburg hun huis halsoverkop verlaten. Veel niet-zelfredzame burgers kwamen in een kritieke, levensbedreigende situatie terecht. Na afloop concludeerden onderzoekers dat de veiligheidsregio Zuid-Limburg geen evacuatieplan heeft. Dat doet het ergste vrezen als tijdens de acute fase van een grootschalig incident, ramp of crisis moet worden opgeschaald om de impact ervan te beperken en burgers adequaat te beschermen tegen de gevolgen.

Onafhankelijk toezicht en Democratische legitimatie

Een samenleving waarin iedereen veilig kan leven dient weerbaar te zijn tegen risico’s, dreigingen en crisis. Daarom is het een belangrijke verantwoordelijkheid van het Rijk en de veiligheidsregio’s om zorg te dragen voor een parate organisatie die in geval van incidenten zoals branden, ongelukken, rampen en crises in staat is adequaat op te treden. Daartoe behoort onder meer een betrouwbaar beeld van de kwaliteit van de taakuitvoering en welke capaciteiten nodig, maar vooral ook beschikbaar zijn om de impact van een incident te beperken. Dat beeld is er niet of ontoereikend. Maar ook het ontbreken van betrouwbare sturingsinformatie kan vergaande consequenties hebben als het gaat om inzicht in de prestaties van de brandweer. De Commissie constateerde dat diverse veiligheidsregio’s in hun plannen rekenen op specialistische kennis of extra capaciteit uit buurregio’s, maar dat de betreffende veiligheidsregio’s dat niet altijd hebben nagevraagd bij de buurregio’s en dat er geen zicht is op elkaars capaciteiten. Ook het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC), als spil in het landelijke capaciteitsmanagement, informatiemanagement en de operationele advisering bij rampen en crises, heeft geen inzicht in de beschikbare expertise en capaciteit.

Dat brengt ons bij de – in onze ogen nogal verontrustende  – conclusies, aanbevelingen en aandachtspunten van de Algemene Rekenkamer over de knelpunten in de bestrijding van rampen en zware ongevallen. Het Kabinet gaat daar in zijn standpunt helaas niet op in of slechts ten dele. Daarom vragen wij wel uw aandacht voor deze rapporten. Bijvoorbeeld het rapport over de aanpak van natuurbranden , maar vooral ook omdat wij benieuwd zijn naar hoe het Kabinet adequaat toezicht op de werking van het stelsel gaat organiseren. De Algemene Rekenkamer kwam immers ook met conclusies over de impact van rapporten van de Inspectie JenV. Kijkend naar het resultaat van 15 jaar toezicht op de kwaliteit van de brandweerzorg en rampenbestrijding, kunnen we de conclusie van de Algemene Rekenkamer onderschrijven.

Terwijl de slagkracht van de brandweer waarneembaar afneemt en wij de Inspectie JenV regelmatig en gedetailleerd hebben geïnformeerd over deze ontwikkelingen, blijven maatregelen om de geconstateerde ‘tekortkomingen’ weg te nemen achterwege. Zo nam een veiligheidsregio zelfs een formeel besluit om de aanbevelingen van de Inspectie over opkomsttijden te negeren omdat de aanbeveling niet in lijn was met het regionale beleid om minder aandacht te schenken aan de opkomsttijden. Daar tasten burgers en gemeentebesturen nu in het duister als het gaat om de relatie tussen het risico dat aan bepaalde objecten gebonden is en de slagkracht van de brandweer. Zo lijkt de Inspectie een ontoereikende taakuitvoering door deze veiligheidsregio’s eerder te faciliteren dan te corrigeren. Dit hebben wij recent ook aan de Inspectie JenV kenbaar gemaakt. Onze bevindingen over het toezicht maken dat wij pal staan achter de oproep van Prof. mr. Pieter van Vollenhoven om te komen tot volledig onafhankelijk toezicht op veiligheid in Nederland.

Het Kabinet zegt de rol en taken van de veiligheidsregio’s (inclusief brandweer) in het kader van pro-actie, preventie, brandveiligheid alsmede de bedrijfsbrandweeraanwijzing in samenspraak met de veiligheidsregio’s en betrokken crisispartners nader onder de loep te zullen nemen. Dat juichen we toe en adviseren om daarbij nadrukkelijk ook de bevoegdheden van het bestuur van de veiligheidsregio’s, het Veiligheidsberaad, de Raad Commandanten Directeuren Veiligheidsregio’s (RCDV) en gemeenteraden te betrekken. De Wvr geeft immers geen nadere invulling van en toelichting op de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het Veiligheidsberaad en de RCDV. De beslissingen van managementraden en van niet-democratisch gelegitimeerde colleges lijken zich volledig te onttrekken aan de lokale democratie en democratische controle, waardoor de lokale betrokkenheid snel verdampt terwijl de verantwoordelijkheid voor het lokale veiligheidsbeleid onverminderd blijft bestaan; wel betalen maar niet meer bepalen.

Daarom pleiten we voor een robuuste aanpak die de kloof tussen theorie en praktijk kan overbruggen.
De Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers werkt daar graag aan mee.

Met vriendelijke groet,

Marcel Dokter
voorzitter

Weg met de Stairmaster!

Op grond van een als onveilig ervaren keuringsmethodiek en de vele (bijna)ongevallen, schrapten verschillende veiligheidsregio’s de traplooptest op de Stairmaster. Niet in de veiligheidsregio Zeeland (VRZ). Daar blijft het management – ondanks de aanwezigheid van een veiliger alternatief – vasthouden aan de toepassing van de Stairmaster. Het gevolg is dat meerdere gezonde en gemotiveerde brandweervrijwilligers, sommigen met een breed pallet aan opleidingen en tientallen jaren ervaring, voortijdig hun brandweerhelm aan de wilgen hangen. Op een enkele post zelfs meerdere tegelijk.

Dit ‘gedwongen’ vertrek van vrijwilligers leidt in de VRZ tot een kapitaalvernietiging die in de tonnen loopt en een afnemende bezetting op de posten. Daarmee komt de continuïteit van de brandweerzorg in gevaar. Dat vindt de VBV zorgwekkend en niet in lijn met de in het Concept beleidsplan 2022-2025 omschreven doelstelling van het Algemeen Bestuur van de VRZ en het streven van de minister van JenV en de Tweede Kamer om vrijwilligheid bij de brandweer te behouden.

Wat is er aan de hand?

De traplooptest is een fysieke inspanningstest en onderdeel van het voor brandweermensen verplichte Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). Hierbij moet een brandweerman (m/v), met ademlucht, volledige uitrusting en een extra last van 20 kg, honderd traptreden in 2 minuten omhoog lopen. Omdat niet alle veiligheidsregio’s beschikken over een geschikt trappenhuis van voldoende hoogte, wordt in het land de zogenaamde ‘brandweerstairmastertest’ gebruikt als alternatief. Deze test wordt afgelegd op de Stairmaster, een traploop-apparaat dat doet denken aan een kleine roltrap. Het bijbehorende testprotocol wordt door veel brandweermensen als onveilig ervaren. Daar hebben ze een goede reden voor, zeker in de veiligheidsregio Zeeland.

Voorafgaand aan de implementatie van de ‘brandweerstairmastertest’ in 2013, zijn modificaties aangebracht aan de Stairmaster, om de test zowel voor de kandidaat en testleider veilig te laten verlopen. “Deze modificaties zijn gekeurd en voldoen Arbo-technisch aan de eisen”, zo was te lezen in een websitebericht van Brandweer Nederland. Dat bleek een grote vergissing:

Als gevolg van tientallen valpartijen in het land, werd in maart 2015 (3 maanden na de invoering) in Terneuzen de ‘brandweerstairmastertest’ stilgelegd door de Inspectie SZW. De Inspectie concludeerde dat er aanpassingen aan het apparaat waren verricht die niet door de fabrikant zijn goedgekeurd en er daardoor sprake was van ernstig val- en knelgevaar voor personen. Verder is vastgesteld dat er geen RI&E was uitgevoerd. Daarop werd besloten het testonderdeel Stairmaster ook in de rest van het hele land met directe ingang stil te leggen.

Na een aanpassing van de gebruikershandleiding en het weghalen van de ombouw mocht het apparaat in september 2015 weer in gebruik worden genomen. Daarmee was het ernstig gevaar voor personen opgeheven en het valgevaar niet meer aanwezig, aldus de Inspectie SZW in haar brief. Ook dat blijkt een grote vergissing:

Want een eind aan ernstige valpartijen tijdens het gebruik van de Stairmaster kwam er niet. Ook niet in Zeeland. In september 2017 raakte een brandweervrijwilliger uit Wemeldinge ernstig gewond bij een valpartij van de Stairmaster. Na een verblijf van ruim twee weken in het ziekenhuis en een maandenlange revalidatie mist hij sindsdien een deel van zijn longcapaciteit. Ook elders in het land hebben vrijwilligers sinds de aanpassingen nog ernstig letsel opgelopen bij valpartijen van de Stairmaster.

Is er dan geen veilig alternatief?

Het antwoord op deze vraag is kort en duidelijk: Ja, natuurlijk wel! In de VRZ en ook in veel andere veiligheidsregio’s is het mogelijk om de traplooptest af te leggen op een vaste trap zoals dat oorspronkelijk ook de bedoeling was. Bovendien zijn er voldoende andere medisch gevalideerde testmethoden. Zo heeft de VRZ samen met de regio’s Zuid-Limburg, Gelderland-Midden en Groningen meegedaan aan een pilot met een steptest, een in de medische wereld gevalideerde testmethode voor energetische piekbelasting. De deelnemers aan deze pilot waren overwegend positief over de steptest, variërend per regio tussen de 82 en 95 % tevredenheid. Daarom werd in het LOBA eind 2020 besloten om de voor de periode 1 januari 2021 – 31 december 2022 de steptest alsmede de traplooptest (vaste trap) als test voor energetische piekbelasting voor het PPMO vast te stellen.

Dit besluit werd echter door de Raad Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s (RCDV) op voor de VBV onbegrijpelijke gronden eind januari 2021 weer ingetrokken. De ondernemingsraden in de regio’s Zuid-Limburg en Gelderland-Midden hebben inmiddels passende maatregelen genomen. Groningen gebruikt de vaste trap, maar de VRZ  volhardt in het gebruik van de Stairmaster.

Brandweervrijwilliger versus brandweerassistent

Anderzijds zijn er ook steeds meer veiligheidsregio’s die heel creatief zijn om een volledig bezette basisbrandweereenheid (TS6) te laten uitrukken na een melding. Zo voorziet de veiligheidsregio Noord-Holland Noord in zogenaamde brandweerassistenten die samen met een ploeg volledig opgeleide manschappen uitrukken bij binnenbranden en beknellingen. Alleen hebben de ‘assistenten’ een kortere opleiding genoten en hoeven ze geen verplicht PPMO te volgen, maar worden ze getest op een fietsergometer. Dat is nogal wrang voor brandweervrijwilligers in dezelfde regio, die van de Stairmaster af zijn getuimeld, blauwe plekken oplopen en vervolgens 3 maanden aan de kant worden gezet omdat ze op slechts 87 van de 100 treden hebben afgelegd.

Brandweervrijwilligers begrijpen er niets meer van. Niet alleen in Zeeland, ook in de rest van het land. De vraag is wanneer de RCDV tot andere inzichten komt. Naar aanleiding van onze brief hebben we uit de veiligheidsregio Zeeland vernomen dat de directie met de VBV in gesprek wil. Wij zullen in dat gesprek aandringen op het onmiddellijk afschaffen van de Stairmaster en daarvoor in de plaats de vaste trap in de Westerscheldetunnel te gebruiken.

 

 

 

 

Waarom je lid zou moeten worden van de VBV? Danique Raaijmakers vertelt het je!

Verschillende expertises benutten

Danique Raaijmakers is in het dagelijks leven directiesecretaris van de algemeen directeur bij de Veiligheidsregio Utrecht. In haar vrije tijd is ze vooral bezig met haar taak bij de Vrijwillige Brandweer.

Hoe ken je de VBV?

Als directiesecretaris ondersteun en adviseer ik de algemeen directeur op relevante thema’s en onderwerpen. Daarom volg ik de landelijke ontwikkelingen over wetgeving – in de Tweede Kamer en in de media. Door het overzien van het regionale en landelijke speelveld leerde ik de VBV kennen en zag ik welke inspanning zij leverden in het belang van alle brandweervrijwilligers in Nederland.

Waarom ben je lid van de VBV?

“De vakvereniging treedt op als kritische gesprekspartner – regionaal en lokaal, maar zeker ook landelijk. Ik vind het belangrijk om daar als brandweervrijwilliger vertegenwoordigd te zijn. Er spelen op dit moment veel integrale en complexe opgaven, waaronder taakdifferentiatie bij de brandweer. Een voorwaarde voor succes is dat er ruimte is voor alle partijen om mee te praten. Die samenwerking vind ik belangrijk. Want daardoor benutten we de verschillende expertises om elkaar verder te helpen. Op zoek naar een oplossing in het wederzijds belang. De VBV maakt zich sterk voor mijn inzet als brandweervrijwilliger, denkt constructief mee en zorgt voor meer erkenning van de functie. Dit doen zij met mensen die het vak verstaan en weten wat er leeft onder de leden.”

Danique startte begin 2015 als brandweervrijwilliger. Momenteel volgt ze de opleiding tot bevelvoerder. “Dat is voor mij een waardevolle rol waar ik veel energie uit haal, zeker ook in relatie tot mijn hoofdfunctie. Hierdoor sta ik beter in verbinding met alle lagen van de organisaties. Als tip voor de VBV zeg ik: betrek de leden goed in wat je doet en zorg voor meer zichtbaarheid.”

 

Waarschuwing voor alle gekazerneerde Brandweer Vrijwilligers.

Waarschuwing voor alle gekazerneerde Brandweer Vrijwilligers.

“Als de nood aan de man is, wordt van brandweerlieden verwacht dat ze zich in het gevaar storten om anderen te redden. Maar als een brandweerman ziek wordt blijkt er voor hem geen helpende hand te zijn.”

Dit is de openingszin van een artikel naar aanleiding van een uitspraak van het gerechtshof  dat onlangs een vraag om doorbetaling van een brandweerman die ziek werd ook in hoger beroep afwees (zie: ECLI:NL:GHSHE:2019:2106).

De Vrijwilliger in deze zaak, Nils, is sinds 2007 lid van onze vereniging en komt na de regionalisering van het brandweerdistrict Maas en Peel in 2013 in dienst van de veiligheidsregio Limburg Noord. Vanaf april 2014 doet hij ook dienst als chauffeur van een Snel Interventie Voertuig (SIV). Daarvoor is hij dan van 8.00 tot 17.00 uur aanwezig op de kazerne. Hiervoor geeft hij zich op per twee maanden vooruit in een rooster. Nils doet dit structureel (ca. 128 uur per maand) en hij raakt er daardoor ook voor zijn levensonderhoud deels van afhankelijk.

Omdat hij al Vrijwilliger is ontvangt hij ook voor het werk als SIV-chauffeur een vergoeding als Vrijwilliger. Dus geen loon als parttime brandweerman.

Als Nils in 2018 ziek wordt vraagt hij de veiligheidsregio om doorbetaling, maar dat verzoek wordt afgewezen en daarom wendt hij zich uiteindelijk tot de rechter. Helaas voor Nils tevergeefs omdat hij Vrijwilliger is en geen (parttime) beroepsbrandweerman.

Volgens de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV) is hier eigenlijk geen sprake van Vrijwilligheid maar van arbeid.

Vrijwilligers bij de brandweer zijn mensen die een alarmontvanger bij zich dragen en in hun eigen woon – en werkomgeving reageren op elk alarm wanneer zij in de gelegenheid zijn en voldoende dichtbij.  Dan gaan zij naar de kazerne en rukken vervolgens uit naar het incident. Zij ontvangen daarvoor een Vrijwilligers vergoeding die is bedoeld om loonderving bij de werkgever en onkosten te compenseren.

Vormen waarbij mensen zijn gekazerneerd of geconsigneerd vinden wij arbeid.

Voor dit werk zou daarom volgens ons een arbeidsovereenkomst moeten gelden en een daarbij horend loon en premies. Zoals dat al in 2011 werd voorgesteld naar aanleiding van een onderzoek in opdracht van het College voor Arbeidszaken van de VNG en de vakbonden.

Bij diverse veiligheidsregio’s overal in het land echter worden met gekazerneerde Vrijwilligers roosters van uitrukdiensten gevuld. Soms deels maar soms ook volledig. Deze voor de “werkgever” goedkope oplossing leidt er voor de Vrijwilliger dus toe dat hij/zij bij ziekte of ongeval veel minder goed is beschermd dan een “normale” werknemer.

Daarom wil de VBV alle Vrijwilligers waarschuwen voor het risico dat zij lopen als zij dit soort “werk” als gekazerneerd Vrijwilliger doen.

Zorg ervoor dat je niet financieel afhankelijk wordt van dit soort werk, want dan kom je bedrogen uit als je iets overkomt!

In het kader van de discussie over de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren en de rechtspositie van de Brandweer Vrijwilliger in relatie tot het Europees recht die momenteel speelt, zet de VBV zich volop in om de scheiding tussen Vrijwilligheid en brandweer-werk groter en duidelijker te maken.

Dit is volgens de VBV de enige manier om Vrijwilligheid bij de brandweer toekomstbestendig te maken. Alleen dan kan op de lange termijn deze ultieme vorm van burenhulp, gefaciliteerd door de overheid, blijven bestaan.

Hoewel de zaak van brandweerman Nils feitelijk los staat van deze discussie wordt wel onderstreept dat oneigenlijk gebruik van Vrijwilligheid zo snel mogelijk moet worden vervangen door iets anders.

Zodat ook Brandweer Vrijwilligers in nood een helpende hand wordt toegestoken. Daar zal de VBV zich in de komende tijd voor inzetten.

Daar kunnen onze leden en alle andere Vrijwilligers op rekenen!

Marcel Dokter
Voorzitter