Redactie

Zeer grote brand in de Wouwermanstraat Den Haag

Op 20 mei 2021 werd Den Haag opgeschrikt door een zeer grote brand in de Wouwermanstraat. Ruim 100 bewoners werden geëvacueerd. Het blussen van de brand bleek lastiger dan gedacht. Wonder boven wonder raakte er niemand gewond, maar de materiele schade was enorm.

Onderzoek: Hoe reageren we als hulpverlener op incidenten met energieopslagsystemen.

De veiligheid van hulpverleners wereldwijd verbeteren door te leren van incidenten. Die ambitie heeft Kurt Vollmacher, een zeer gewaardeerd en deskundig collega uit België. Kurt verzamelt voor zijn onderzoek informatie over incidenten met energieopslagsystemen en verzoekt brandweercollega’s over de hele wereld om hun ervaringen met dit soort incidenten met hem te delen.
Heb jij dergelijke ervaringen? Deel ze dan via deze link met Kurt. We hebben immers allemaal belang bij informatie die ons gevaarlijke werk een stukje veiliger maakt.

Eigen brandweerstatistieken ontwikkelen? No, we can’t!

Met een brief informeerde Minister Grapperhaus (JenV) de Tweede Kamer over de ontwikkeling van de capaciteit van de brandweer de afgelopen 10 jaar en in de mogelijke oorzaken van trends hierbij. Althans, dat is wat de minister de Tweede Kamer had toegezegd. Door ‘onvolkomenheden in de brandweerkerndata’ kan de minister echter geen betrouwbaar inzicht bieden in de ontwikkeling van de capaciteit van de brandweer de afgelopen 10 jaar en de mogelijke oorzaken van trends in dit verband. Dat is – na de extra kwaliteitsimpuls van 2018 – een nogal zorgwekkende gewaarwording voor de stelselverantwoordelijk minister in een land waar de basisvaardigheden voor meten (vergelijken en ordenen) al op de kleuterschool worden aangeleerd.

Het ontbreken van betrouwbare sturingsinformatie heeft immers vergaande consequenties als het gaat om inzicht in de prestaties van de brandweer. Dat geldt voor de kwaliteit van de dagelijkse brandweerzorg aan de burger, maar zeker ook als het gaat om het (gegarandeerd) kunnen leveren van interregionale bijstand en slagkracht voor de rampenbestrijding. Nadat het CBS was gestopt met de brandweerstatistiek was de VBV al sceptisch over het ‘vacuüm’ in de beschikbaarheid van betrouwbare sturingsdata. Het inventariseren, analyseren en publiceren van betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die inspeelt op de behoefte van de samenleving is immers een serieuze en specialistische aangelegenheid die bij het CBS in goede handen is.

In dat licht staat de conclusie, die de voorzitter van Brandweer Nederland in 2008 verbond aan de betrouwbaarheid van brandweerstatistieken; “hoe kun je nu beslissingen nemen over ontwikkelingen in ons brandweervak op basis van cijfers die we niet goed genoeg kennen en die we zelf niet controleren en goedkeuren. Toch wel zorgwekkend!” nog steeds als een paal boven water. De actuele werkelijkheid is even teleurstellend als bitter: de gezamenlijke veiligheidsregio’s zijn er na 13 jaar (!!) en talloze projecten nog steeds niet in geslaagd om een eigen brandweerstatistiek met betrouwbaar cijfermaterieel te ontwikkelen.

Gelukkig is de Commissie evaluatie Wet Veiligheidsregio’s het gebrek aan betrouwbare sturingsinformatie ook opgevallen en komt de minister op basis van de gezamenlijke bevindingen nu tot het inzicht dat de brandweerkerndata spoedig een kwaliteitsslag behoeft. De VBV heeft hiertoe al een aanzet gegeven met haar bevindingen n.a.v. het door het Veiligheidsberaad uitgevoerde onderzoek brandweerstatistiek en haar recente reactie op het commissiedebat van 27 mei jl. waar de informatievoorziening over de prestaties van de brandweer een prominent onderwerp van gesprek was.

Het voorstel van de minister dat er zal worden gekeken naar het inrichten van een wettelijk kader voor een deugdelijke informatievoorziening t.b.v. de brandweerzorg kan rekenen op onze steun.

Nu de feiten over de 25 brandweerorganisaties ontbreken en inzicht in de ontwikkelingen geboden is, is de VBV zelf gestart met een inventariserend onderzoek.

Kwaliteitsniveau brandweerzorg keldert gestaag

Kwaliteitsniveau brandweerzorg keldert gestaag
De maatschappelijke behoefte aan snelle en adequate brandweerzorg in Nederland is onverminderd groot. Uit een landelijke evaluatie is echter gebleken dat de brandweer steeds vaker uitrukt met een geringere capaciteit dan wettelijk is voorzien. Niet vanwege een efficiëntere inzet van mensen en middelen naar incidenttype en risico’s, maar overwegend vanwege paraatheidsproblemen (vaak het gevolg van bezuinigingen). Daarmee daalt op veel plaatsen het kwaliteitsniveau onder het wettelijk minimum en daardoor staat het leveren van adequate brandweerzorg, een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer, onder druk.

Terwijl de minister en het parlement – gelet op hetgeen in de wetgeving is verankerd – sturen op voldoende slagkracht en uniformiteit, heeft de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV) onlangs besloten tot het ‘creëren van maximale ruimte voor regionale flexibiliteit’ in de bevoegdheid om te mogen afwijken van de standaard respons. Ook bij maatgevende incidenten, zoals woningbranden. Dit uitgangspunt staat een veilige en adequate uitvoering van de wettelijke taken van de brandweer in de weg. Zeker wanneer de capaciteit van mensen en middelen in de lokale brandweerkazernes al fors gereduceerd is.

De vrijheid waarmee in 25 veiligheidsregio’s nu allerlei uitrukvarianten met verschillende opkomsttijden en voertuigbezettingen zijn en gaan ontstaan, werkt rechtsongelijkheid voor burgers en gevaarlijke situaties voor die burgers en ook het uitrukpersoneel van de brandweer in de hand. Daarom hebben de landelijke vertegenwoordigers van het brandweerpersoneel in een gezamenlijke brief aan de minister van Justitie en Veiligheid, het Veiligheidsberaad en de RCDV met klem gevraagd om passende maatregelen te nemen die ertoe leiden dat deze situatie snel verandert.

Eerder dit jaar kwam het kabinet al met een reactie op de adviezen van de Commissie evaluatie Wet veiligheidsregio’s. Zo wil het kabinet onder meer bezien hoe kan worden georganiseerd dat de besturen van de veiligheidsregio’s in samenwerking met crisispartners gezamenlijk uitgangspunten en normen op het gebied van de crisisbeheersing en brandweerzorg formuleren en uniform toepassen en hoe deze uitgangspunten en normen worden vastgelegd. Dat is ook precies wat de gezamenlijke vakorganisaties beogen. Maar voor het gezamenlijk realiseren van deze doelstelling is wel de medewerking van de RCDV en het Veiligheidsberaad nodig. Gelet op de keuzes die de RCDV nu maakt lijkt het daar nog niet op. Wellicht dat de inhoud van onze brief de betrokken partijen in de goede richting stuurt.

Belevingsonderzoek repressief brandweerpersoneel 2021 van start!

Hoe beleven repressieve brandweermensen het brandweervak? Hoe kijken zij naar ontwikkelingen in hun werk en in de brandweerorganisatie? Deze week krijgen alle repressieve collega’s per e-mail een uitnodiging om deel te nemen aan het belevingsonderzoek 2021. Doe jij ook mee?

Het belevingsonderzoek brengt in beeld hoe repressief brandweerpersoneel het brandweerwerk op een aantal thema’s ervaart. In 2017 is dit onderzoek voor het eerst gedaan, dit jaar wordt het onderzoek herhaald. Zo is het mogelijk om een vergelijking tussen 2017 en 2021 te maken en vast te stellen welke aspecten zijn toe- of afgenomen. Daarnaast zijn enkele vragen toegevoegd, om aan te sluiten bij actuele ontwikkelingen.

Voor een goed resultaat vind ook de VBV het van groot belang dat zoveel mogelijk repressieve collega’s meedoen.

Alle repressieve vrijwillige- en beroeps brandweercollega’s wordt gevraagd deel te nemen aan dit belevingsonderzoek. Als zoveel mogelijk mensen meedoen, krijgen we samen een goed beeld van de opvattingen en ervaringen op verschillende thema’s, zowel landelijk als regionaal. Jouw bijdrage is daarom erg belangrijk! Deelname aan het onderzoek gebeurt op basis van anonimiteit. De antwoorden zijn op geen enkele wijze te herleiden tot degene die deze invullen.

De vragenlijst staat open van 1 november tot 15 december 2021. Na de analyse van de vragenlijst worden de resultaten geduid in een aantal focusgroepen met repressieve brandweermensen. In het voorjaar van 2022 worden er één landelijke en 25 regionale rapportages opgeleverd. De resultaten worden toegelicht tijdens een webinar.

Vragen?
Ben je repressief actief binnen de brandweer en heb je geen uitnodiging ontvangen? Neem dan contact op met je eigen veiligheidsregio.

Wie is betrokken bij het belevingsonderzoek?

Het Veiligheidsberaad is de opdrachtgever van het onderzoek. Een stuurgroep is verantwoordelijk voor besluit over de inhoudelijke invulling van het onderzoek. In deze stuurgroep zitten vertegenwoordigers van de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV), FNV Overheid, CNV Overheid, de CMHF, de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV), het ministerie van Justitie en Veiligheid en het Veiligheidsberaad. Het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) voert het onderzoek uit.

Kijk voor meer info op www.ifv.nl/belevingsonderzoek.

 

Brainstorm in Energiecentrum

Half oktober kwamen de bestuursleden van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV) samen met de Veiligheidsregio’s Brabant Noord, Midden en West-Brabant en Brabant Zuid-Oost in het Energiecentrum ‘De Volmolen’ in Waalre.

Doel van deze bijeenkomst was sparren over de zaken die momenteel belangrijk zijn in de brandweerwereld én visies en ideeën uitwisselen. Dat gebeurde dan ook volop en iedereen merkte en beaamde dat de visies van deze veiligheidsregio’s niet veel verschillen met die van de VBV.

Het eerste onderwerp van gesprek was ‘verzekeringen’. Er zijn schrijnende gevallen bekend. De VBV wil graag ‘aan de voorkant’ over dit onderwerp meepraten met de Veiligheidsregio’s. Vooral zelfstandigen zijn als brandweervrijwilliger vaak de dupe als er een ongeval gebeurt. Er is altijd veel discussie over het schadebedrag. De VBV vraagt zich af hoe dat verbeterd kan worden om te voorkomen dat zelfstandigen hun pieper inleveren. De VR’s antwoorden dat zij landelijk samen een expertisebureau op willen oprichten en dat dit dossier bijna naar de bonden gaat. In het kader van goed werkgeverschap willen ook zij dit goed regelen. De VR’s denken ook aan een constructie waarbij er geen verzekeraar meer tussen zit, maar dat de gezamenlijke veiligheidsregio’s de risico’s gaan dragen.

Bezuinigingen

Slagkracht was ook onderwerp van gesprek. De VBV ziet met lede ogen aan dat de slagkracht in het hele land vermindert. Het enige van belang lijkt nog wanneer de 1e TS ter plaatse is. Inmiddels zijn er al 160 TS’sen verdwenen, wegbezuinigd. Bij de laatste overstromingen in Limburg, België en Duitsland gingen korpsen massaal helpen met als gevolg dat er hele kazernes leeg waren. Wat als er iets gebeurd was op die plaatsen? De garantie op zorg was weg op dat moment. Deze situatie heeft zich in Brabant niet voor gedaan. De VR’s delen de zorg over de lange duur van de discussie en een sterk modelmatige aanpak zoals met gebiedsgerichte opkomsttijden en het dekkingsplan voor Nederland. In Brabant zitten we niet meer in een film van wegbezuinigen van TS-en en alleen maar sturen op de opkomsttijd van de eerste TS. Het gaat om allerlei risico’s die samenhangen én het gaat over de transitie in de brandweerzorg. De VBV stelt dat er veel te doen is over het onderwerp slagkracht, maar er nog steeds 25 regio’s zijn die elk andere inzichten hebben. Dat moet een gezamenlijk inzicht worden. Als er een minimale slagkracht in de eigen regio is, is er een landelijk tekort bij natuurbranden, overstromingen en dergelijke.

Tekort aan Vrijwilligers

Vrijwilligers, waarom zijn die er te weinig? Omdat de opleiding te lang duurt, er te vaak nieuwe regels bijkomen en er vanuit de VR’s te weinig aandacht voor is. Er zijn regio’s waar een beleidsmedewerker het Vrijwilligersbeleid ‘erbij’ doet. Er wordt empathie gemist en ook de huidige krapte op de woningmarkt speelt blijkbaar een rol. Als jongeren geen huis kunnen vinden in hun woonplaats, is naar een andere gemeente gaan de enige optie. Marcel verloor hierdoor al vier Vrijwilligers. Hoe sluiten we dan aan bij het perspectief van de Vrijwilliger? Iedereen is het erover eens dat het vinden én binden van Vrijwilligers een belangrijk speerpunt is voor de komende jaren. De relatie met de werkgever van de Vrijwilliger is belangrijk. Flexibiliteit aanbrengen in brandweertaken kan ook een oplossing bieden. Een Vrijwilliger kan al taken uitvoeren voordat de hele opleiding doorlopen is. Dat verhoogt de betrokkenheid.

Samenwerking

De VBV wil graag – samen met de top – aan de voorkant meepraten en meedenken over de issues die spelen of gaan spelen. Belangrijk daarbij is dat we elkaar over en weer goed informeren. Ook de VR’s vinden vaker overleg een goed idee. Praten met elkaar betekent niet dat we het altijd eens moeten zijn. Maar luisteren naar elkaars visie en mening maakt al een groot verschil.

Taakdifferentiatie en Uitruk op Maat

Taakdifferentiatie en Uitruk op Maat

Op 14 oktober verscheen er voor Brandweer Vrijwilligers een prachtige brief van minister Grapperhaus aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

In het kort komt het erop neer dat vrije instroom Vrijwilligheid bij de brandweer kan worden behouden zonder taakdifferentiatie. Dit op voorwaarde dat gekazerneerde en geconsigneerde vrijwilligheid verdwijnt en wordt omgezet naar een flexibel arbeidscontract.

Hierdoor lijkt het spookbeeld van eerste en tweederangs brandweermensen in rook op te gaan. Het mooie stelsel van betrokken burgers die andere burgers in nood geheel vrijwillig maar wel op een professionele wijze te hulp schieten kan zo blijven bestaan.

Dit prachtige resultaat is vooral te danken aan het artikel van de hoogleraren Cuyvers, Boogaard en de vaste Kamercommissie Justitie en Veiligheid die steeds bleef vragen naar een andere oplossing dan taakdifferentiatie bij de brandweer. Dankzij die steun voelde de VBV zich niet helemaal alleen toen het er op leek dat Vrijwillige Brandweer uitsluitend mogelijk leek met vergaande taakdifferentiatie en dat daarmee uitholling van onze prachtige passie een feit zou zijn.

Als u zich ooit afvroeg of een lidmaatschap van de VBV zin heeft dan is hiermee het bewijs geleverd. Samen zijn wij sterk en kunnen wij onze stem op een krachtige constructieve manier laten horen.

Dat die krachtige stem nodig is blijkt uit de voortgang van een ander hoofdpijndossier, Uitruk op Maat (UoM). Dit landelijk kader voor afwijkende voertuigbezetting kwam tot stand zonder dat de werkvloer was betrokken, in strijd met artikel 68 lid 2 van de Wet veiligheidsregio’s. Daarom trok de VBV ook in dit dossier aan de bel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal toen wij bij de veiligheidsregio’s en het Veiligheidsberaad geen gehoor vonden voor onze bezwaren.

Gelukkig vonden wij wel gehoor in Den Haag en heeft de Tweede Kamer op 27  november 2018 met algemene stemmen een motie aangenomen waarin de regering werd verzocht om in overleg met de werkvloer, waaronder de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers, te komen tot een nieuw dan wel aangepast kader op basis waarvan mag worden afgeweken van de standaard uitruk. De minister heeft dit in zijn brief van 11 februari 2019 aan de Tweede Kamer toegezegd.

Helaas is het landelijk kader UoM inmiddels bijgesteld en ambtelijk vastgesteld door de Raad Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s (RCDV). Opnieuw zonder betrokkenheid van de werkvloer. Ons grootste bezwaar, dat veiligheid van hulpverleners en burgers in gevaar komt wanneer eenduidige kaders en uniforme inzetprocedures ontbreken is niet weggenomen. Ook de grote interpretatieruimte van het landelijk kader is in de bijgestelde variant onveranderd. Dit staat haaks op het belang dat burgers, bedrijven en instellingen hechten aan adequate brandweerzorg. Daarom blijven onze bezwaren in stand.

Inmiddels hebben wij de betrokken partijen, ministerie Justitie en Veiligheid, Veiligheidsberaad en de voorzitter van de RCDV op de hoogte gebracht van onze bezwaren en die zullen wij blijven inbrengen totdat een veilige werkwijze voor alle brandweermensen en burgers een feit is.

Voor de duidelijkheid, de VBV is niet tegen variabele voertuigbezetting maar wel tegen onveilige kaders voor het soms gevaarlijke brandweerwerk. Daar zullen wij ons voor blijven inzetten, nu en in de toekomst. Daar kunnen alle Brandweer Vrijwilligers ons aan houden.

Marcel Dokter

Voorzitter

Verruimen en opruimen? Deel 2

Op 31 augustus jl. maakte het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede bekend dat het evaluatierapport ‘Brandweerzorg Ede in beeld’ gereed was. Ondanks het feit dat uit het evaluatierapport een duidelijke meerwaarde blijkt, heeft het college – vanwege de hoge kosten – toch besloten om de post Ede-Stadspoort per 1 januari 2022 te sluiten. Volgens berekeningen van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland- Midden (VGGM) zou de post Ede-Stadspoort jaarlijks
€ 250.000 kosten en dat zou te duur zijn, aldus het college. Na een onrechtmatige poging van de VGGM om de Vrijwilligers van Ede-Stadspoort vooraf monddood te maken, steken ze nu hun mening niet meer onder stoelen of banken. De Vrijwilligers maken zich ernstige zorgen over de veiligheid van de burgers in Ede-Zuid en verwijten het bestuur ‘ongevoeligheid en gegoochel met cijfers’.

De gemeenteraad kreeg donderdag 9 september jl. een toelichting op het eindrapport van de commissie die de noodzaak en meerwaarde van brandweerpost Ede-Stadspoort heeft onderzocht. De conclusie van de commissie was dat de brandweerpost Ede-Stadspoort weliswaar meerwaarde bezit maar op grond van door het Algemeen Bestuur van de VGGM in 2015 vastgestelde normen niet noodzakelijk is. En dat is wel bijzonder, vooral met het oog op de rechtmatigheid van de gehanteerde normen en de verwachting van de burger dat het bestuur de geldende wet- en regelgeving toepast.

Het begin van het einde
Tijdens een bijeenkomst in januari 2020 werd de gemeenteraad van Ede geïnformeerd over het organiseren van een 24/7 beroepsbezetting op de post Ede-Centrum per 1 januari 2021. Als gevolg daarvan was de post Ede-Stadspoort niet meer noodzakelijk, aldus de VGGM. Het gevolg is dat de slagkracht van de brandweer in het stadgebied van Ede krimpt van twee parate tankautospuiten (TS) naar één. Vanwege de complexiteit van het vraagstuk hebben de gemeenteraad van Ede en de leden van de post Ede-Stadspoort begin 2020 de expertise van de VBV ingeroepen met het verzoek om een onderbouwde zienswijze op de toekomstplannen van de VGGM. De VBV heeft haar bevindingen op verschillende momenten en manieren ingebracht bij het gemeentebestuur van Ede en ook gepubliceerd op onze website.
Onze reactie op het evaluatierapport en het besluit van het college van B&W kunt u hier lezen.

De feiten op een rij!?
De vraag die bij dit onderwerp nadrukkelijk opkomt is; waarom heeft de gemeente Ede destijds gekozen voor een tweede uitrukpost in Ede-Zuid? Zeer waarschijnlijk om een adequate brandweerzorg te kunnen garanderen in een gebied met allerlei soorten risicovolle gebouwen.
Een dergelijk gebied, met objectcategorieën zoals een ziekenhuis ‘Gelderse Vallei’, grote (zorg)instellingen zoals de ‘Gelderhorst’, een winkelcentrum met een gesloten constructie, risicovolle milieu locaties zoals een BRZO+ bedrijf, en de nodige portiekflats, vraagt op grond van de tijdnormen in artikel 3.2.1, eerste lid, van het Besluit veiligheidsregio’s om snel en adequaat ingrijpen van de brandweer.  Daartoe zijn in wet- en regelgeving eisen, handreikingen en leidraden opgesteld.

Uitgangspunten VGGM niet in lijn met vigerende wet- en regelgeving
Het gemeentebestuur besloot tot een onderzoek naar de meerwaarde van de post. De VBV heeft daarop de startnotitie voor dat onderzoek onder de loep genomen en vervolgens gereageerd op de zogenaamde ‘objectieve criteria’ die de grondslag vormden voor het onderzoek. Er valt namelijk nogal wat af te dingen op deze ‘objectieve criteria’. Sterker nog, maar liefst 3 partijen (ingenieurs- en adviesbureau Anthea Group, de Inspectie JenV en de VBV) hebben onafhankelijk van elkaar kanttekeningen geplaatst bij de uitgangspunten in de beleidsstukken inzake de inrichting van de brandweerzorg in de VGGM. Deze uitgangspunten hebben niettemin geleid tot het besluit van het Algemeen Bestuur (AB) van de VGGM van 24 juni 2015. De belangrijkste ‘kanttekening’, die elk van de 3 partijen afzonderlijk plaatste, was dat de uitgangspunten waarop de VGGM haar repressieve brandweerorganisatie heeft ingericht, niet in lijn waren met vigerende wet- en regelgeving.

Presentatie evaluatierapport – Gebiedsgerichte Opkomsttijden
Ondanks de brandweerkundig goed onderbouwde bezwaren tegen het besluit van het AB uit 2015 en de aanbevelingen van de Inspectie JenV, werden de zelfbedachte normen uit 2015 niet geactualiseerd of gecorrigeerd, maar opnieuw gebruikt als uitganspunt voor de inrichting van een toekomstbestendige brandweerzorg in Ede. Dat maakte dat de uitleg van de commissie over de normen, het dekkingspercentage en de nieuwe systematiek ‘gebiedsgerichte opkomsttijden’ niet alleen onsamenhangend, maar ook onbegrijpelijk. De leden van de gemeenteraad, en in het verlengde daarvan, de burgers, bedrijven en instellingen in Ede krijgen daardoor niet het gewenste beeld van de relatie tussen het risico dat aan bepaalde objecten gebonden is en de slagkracht van de brandweer. Immers, op basis van de risico’s in het verzorgingsgebied en de normering van uitruk- en opkomsttijden wordt de sterkte in mensen en materieel bepaald. Die kwaliteits- (en kwantiteits-) normen zijn door de sector vastgelegd in de Leidraad Repressieve Basisbrandweerzorg en vormen ook de basis van de in de wet vastgelegde eisen voor de brandweerzorg.

Risiconiveaus GGO

Bij de ontwikkeling van het nieuwe (concept)systeem van ‘Gebiedsgerichte Opkomsttijden’ heeft de minister van Justitie en Veiligheid voorwaarden gesteld en is door de lector brandweerkunde van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), gesteund door de gezamenlijke vakorganisaties, een normen- en beoordelingskader voor slagkracht ingebracht, dat is gebaseerd op de professionele opvatting binnen de brandweersector. Zo valt – op grond van een brandrisico-inschatting – in de nieuwe (concept) systematiek van Gebiedsgerichte Opkomsttijden het gebied rondom Ede-Stadspoort in risiconiveau 1. De aan dit niveau gekoppelde slagkracht gaat uit van drie tankautospuiten binnen een referentietijd van 10 minuten en 7 minuten voor een redvoertuig.

Gegoochel met cijfers!?
Zo werd tijdens de presentatie een vraag uit de raad over de slagkracht en opkomsttijd van de tweede tankautospuit bij objecten met niet-zelfredzame bewoners beantwoord met een verwijzing naar het percentage objecten in Ede waarbij de tweede tankautospuit niet binnen 15 minuten ter plaatse kan zijn. Dit percentage zegt echter helemaal niets over een eventuele overschrijding van de opkomsttijd en slagkracht van de brandweer bij een brand in een object met niet-zelfredzamen. Ook niet over de maatregelen die genomen zijn om deze overschrijding te compenseren. Dat maakt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals de wet- en regelgeving dat vereist. Op deze wijze kan niemand objectief beoordelen of een overschrijding aanvaardbaar is of niet.

In het antwoord op de vraag of de brandweer met voldoende middelen aanwezig is voor het redden van levens en het beperken en bestrijden van brand, werd verwezen naar de ‘AB-normering’ en de percentages op blz. 22 van het rapport. De voetnoot ‘Dit betreft alle objecten ongeacht de mogelijke risico’s ervan, een garagebox wordt bijvoorbeeld ook meegeteld als object’ en de toelichting op blz. 15; “Er zullen altijd objecten in het verzorgingsgebied zijn, waar de 2e TS niet binnen 15 minuten na melding ter plaatse kan zijn.”, laat de lezer gissen naar welk type objecten het betreft en welk risico daar te verwachten is. Daarom hebben burgers, vooral de niet-zelfredzamen, in een brandend gebouw, bitter weinig aan de wetenschap hoeveel tankautospuiten er binnen 20 minuten na melding ter plaatse kunnen zijn, als het er nauwelijks meer toe doet. Brand en rook verspreiden zich immers exponentieel, zo stelden het IFV en de Onderzoeksraad (OVV) onlangs nog weer eens vast en kwamen met concrete aanbevelingen en lessen voor de brandweer.

Het belang van de burger
Die burgers willen daarom weten hoe de brandweerzorg in hun eigen leefomgeving ervoor staat, maar dat blijft in Ede én de overige gemeenten in de VGGM een raadsel. Daarom zijn volgens de stelselverantwoordelijke minister en de Inspectie Justitie en Veiligheid de opkomsttijden van de brandweer niet vrijblijvend in te vullen. Generiek afwijken van de tijdnormen uit het Besluit veiligheidsregio’s is niet toegestaan. De minister van Justitie en Veiligheid typeerde het landelijk beeld dat geschetst wordt in het rapport over de opkomsttijden als zorgwekkend. De VBV is van mening dat deze typering ook op de toekomstige brandweerzorg in Ede van toepassing is.

Verruimen en opruimen? Deel 1

 

Onder bovenstaande titel zullen wij u in de komende periode informeren over voorbeelden waar de opkomsttijden, de slagkracht en het uithoudingsvermogen van de brandweer worden aangetast. Dit proces is de afgelopen jaren door bijna alle veiligheidsregio’s vrijwel geruisloos in gang gezet. De VBV is voornemens dit inzichtelijk te maken. De voorgenomen reductie van hulpverleningsvoertuigen in de VGGM is daar een sprekend voorbeeld van. Oordeelt u zelf.

De bevoegdheid voor het bepalen van het beleid ten aanzien van de uitvoering van de taken van de brandweer, is op grond van de Wet veiligheidsregio’s neergelegd bij het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio. Het bestuur bepaalt daarmee ook het kwaliteitsniveau van zowel de brandweerzorg als ook de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Ondanks dat in ons land voor zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de repressieve basisbrandweerzorg door overheid en de sector gezamenlijk een normeringsdoelstelling (of te wel een advies over na te streven kwaliteitsnormen) is opgesteld, blijken de veiligheidsregio’s voor een efficiënte inrichting (de dimensionering) van de repressieve brandweerorganisatie steeds vindingrijker in het definiëren van ‘eigen’ kwaliteitsnormen. Daarmee is de eenduidigheid en kwaliteit van de brandweerzorg voor de burgers in ons land echter niet gebaat.

Een praktijkvoorbeeld:
Hulpverlening is een van de kerntaken van de brandweer. ‘De trend over de afgelopen vijf jaar is dat er een stijgende lijn zit in het aantal hulpverleningsincidenten en een dalende lijn in het aantal brandincidenten. Het aantal incidenten waarbij een hulpverleningsinzet vanuit de brandweer wordt verwacht, is dan ook gestegen. Tevens is de complexiteit van de inzetten toegenomen’, zo valt te lezen in de nieuwe ‘Landelijke visie Hulpverlening Brandweer’.

In de ‘Regionale visie op Hulpverlening’ van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) ligt dat kennelijk anders. Daar werd het Algemeen Bestuur een ander verhaal voorgelegd. In dit verhaal blijkt de brandweerleiding – in tegenstelling tot de landelijke trend – tot de conclusie te zijn gekomen dat het aantal ongevallen (met beknelling) is afgenomen en de brandweer daarom wel met minder hulpverleningsvoertuigen toe kan. Hiertoe moet dan wel de opkomsttijd voor (spoedeisende) specialistische hulpverlening worden opgerekt en moet rekening worden gehouden met gevoelens van verlies op de brandweerposten en van dubbel nadeel bij de gemeenteraden, aldus de brandweerleiding. Die voorspelling lijkt uit te komen.

Boze brandweermensen
De brandweermensen op de betreffende posten zijn boos en maken zich zorgen over de consequenties van het voorstel. Niet in de laatste plaats omdat de VGGM in 2015 al flink het mes had gezet in de capaciteit van de brandweer. Toen werden maar liefst elf tankautospuiten, twee redvoertuigen en vijf hulpverleningsvoertuigen onttrokken aan de uitruksterkte. De Vrijwilligers van de brandweerpost Duiven, die na het afstoten van hun tweede tankautospuit nu ook het hulpverleningsvoertuig uit hun kazerne zien verdwijnen, trokken aan de bel. Ze lieten zich de mond niet snoeren en schreven een brandbrief naar de gemeenteraad. In die brief werden de plannen van de brandweerleiding vanuit een breder, vakinhoudelijk, en op de praktijk geënt perspectief belicht. En dat is maar goed ook. We leggen hier graag uit waarom ze een punt hebben:

Het verhaal van krimpende budgetten en verruimde normen
Het verhaal van de brandweerleiding is voornamelijk gebaseerd op een tekort aan budget om in overeenstemming met het dekkings- en materieelplan alle vervangingen te kunnen uitvoeren. Dat tekort kan volgens de brandweerleiding worden opgelost door het afstoten van vier hulpverleningsvoertuigen. Hoewel er nog geen besluit is genomen, heeft het Algemeen Bestuur van de VGGM al wel besloten minder aandacht te schenken aan de opkomsttijden en is in de begroting voor 2022 al geanticipeerd op de halvering van het aantal hulpverleningsvoertuigen. De onderbouwing van het voorstel door de brandweerleiding daarentegen is summier en betwistbaar. Voor de uitvoering van het plan moet namelijk de eigen ‘Visie op Basisbrandweerzorg’ én het landelijk normatieve kader opzij worden gezet. Want die gaan allebei uit van specifieke operationele uitgangspunten en branchevoorschriften voor de bepakking van zowel de tankautospuit als het hulpverleningsvoertuig. De opkomst van een hulpverleningsvoertuig is, conform de landelijke normatieve kaders, door het Algemeen Bestuur van de VGGM, vastgesteld op maximaal 15 minuten.

Bovendien is het ‘ombuigen’ van de landelijke toename in het aantal en complexiteit van de hulpverleningsincidenten naar de regionale afname van het aantal beknellingen in (personen) voertuigen, een versimpeling van de grote diversiteit in het type hulpverleningsincidenten en ongevalscenario’s. Daarbij zijn de bestaande risico’s op ongevallen in de samenleving en in het verkeer, zoals ook op de snelwegen A1, A12, A15, A28, A30, A50, A325 en A348, de drukke vaarwegen zoals Rijn en IJssel, en de spoorlijnen met de vele goederen- en passagierstreinen, die 24/7 de VGGM doorkruisen, niet noemenswaardig minder geworden, zo blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek. Daar komt nog bij dat de brandweerleiding de invloed en mogelijke consequenties van hun voorstel op de operationele capaciteiten t.b.v. het regionaal risicoprofiel en het reeds vastgestelde Beleidsplan 2020-2023 onvermeld laat. Uit bijlage 4 van de capaciteitenanalyse van de VGGM blijkt immers al een ontoereikende operationele capaciteit in relatie met waarschijnlijkheid en impact bij het scenario ‘ongeval spoor’.

Aantasting van het beoogd maatschappelijk doel
Objectief beschouwd betekent het verruimen van de opkomsttijd voor (spoedeisende) specialistische hulpverlening een aantasting van het beoogd maatschappelijk doel van de brandweer in de VGGM; minder schade en slachtoffers bij brand en andere incidenten. Daarnaast is het ook een inbreuk op de eigen strategische-  en operationele doelen, te weten: effectief optreden bij brand en andere incidenten en het personeel in staat te stellen op een professionele en veilige manier te werken. Kortom; de brandweermensen uit Duiven hebben zeker een punt als het gaat om de kwaliteit van de brandweerzorg in hun veiligheidsregio in het algemeen en hun eigen gemeente in het bijzonder.

De gemeenteraad van Duiven op zijn beurt ziet met lede ogen de capaciteit van het plaatselijke brandweerkorps alsmaar verder afnemen en de rekening voor de diensten van de VGGM, met name de brandweer, met tonnen toenemen. Echter realiseert de gemeenteraad zich kennelijk onvoldoende dat hij duidelijke keuzemogelijkheden heeft bij de vormgeving van de brandweerzorg, de crisisbeheersing en rampenbestrijding in de veiligheidsregio. Anderzijds bleef de nieuwe ‘Regionale visie op Hulpverlening’ van de VGGM ook buiten beschouwing in het ‘Beleidsplan Brandweer 2020-2023‘ dat in 2019 aan de gemeenteraden ter consultatie werd aangeboden. In een raadsbreed aangenomen motie roept de raad het college van B&W nu op om met het bestuur van de VGGM het gesprek aan te gaan over de grieven die zijn geuit door de brandweer en daarbij mee te nemen dat het van essentieel belang is dat de brandweer beschikt over voldoende en adequaat materieel. Voor wat betreft de kwaliteit van de brandweerzorg en de veiligheid van de burgers in de VGGM zou het van grote waarde zijn als de overige gemeenteraden in de VGGM de oproep uit Duiven zouden steunen.

Stelselverantwoordelijkheid?
Gelet op deze sluipende, maar bestendig krimpende capaciteit van de brandweer en de constatering van de evaluatiecommissie Wet veiligheidsregio’s, dat veiligheidsregio’s in hun plannen aangeven voor specialistische kennis of extra capaciteit te rekenen op ondersteuning door buurregio’s, maar dat er geen zicht is op elkaars capaciteiten, en het feit dat ook het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) geen inzicht heeft in de beschikbare expertise en capaciteit, maakt elk voornemen tot inkrimping van de regionale repressieve capaciteit van de brandweer immers tot een potentieel veiligheidsrisico i.p.v. een verbetering. Het feit dat klaarblijkelijk niemand een betrouwbaar beeld heeft van de operationele capaciteiten in de 25 veiligheidsregio’s zou de minister van Justitie en Veiligheid, als stelselverantwoordelijk minister voor de brandweerzorg, rampenbestrijding en decentrale crisisbeheersing, ernstige zorgen moeten baren.

Nationale Brandweerherdenking

#Brandweerherdenking

Vandaag, de derde zaterdag in juni, herdenken we onze omgekomen collega’s, 98 toegewijde brandweermensen die de hoogste prijs betaalden voor hun inzet voor onze samenleving. Ze gingen van huis en keerden niet meer terug. Op de stenen muur in het hart van het Nationaal Brandweermonument herinneren hun namen op glanzende plaquettes ons aan de schaduwkant van ons prachtige vak en maant een ieder van ons tot waakzaamheid.

Om onze omgekomen collega’s op een respectvolle manier te herdenken roepen we alle korpsen in Nederland op om tijdens de brandweerherdenking op zoveel mogelijk kazernes de brandweervlag halfstok te hangen (van 12.00 tot 15.00 uur) en om gelijktijdig aan het herdenkingsmoment in Arnhem, om 13.00 uur, een minuut lang het ereteken te maken (zie ook de instructie).