Redactie

Verruimen en opruimen? Deel 2

Op 31 augustus jl. maakte het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede bekend dat het evaluatierapport ‘Brandweerzorg Ede in beeld’ gereed was. Ondanks het feit dat uit het evaluatierapport een duidelijke meerwaarde blijkt, heeft het college – vanwege de hoge kosten – toch besloten om de post Ede-Stadspoort per 1 januari 2022 te sluiten. Volgens berekeningen van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland- Midden (VGGM) zou de post Ede-Stadspoort jaarlijks
€ 250.000 kosten en dat zou te duur zijn, aldus het college. Na een onrechtmatige poging van de VGGM om de Vrijwilligers van Ede-Stadspoort vooraf monddood te maken, steken ze nu hun mening niet meer onder stoelen of banken. De Vrijwilligers maken zich ernstige zorgen over de veiligheid van de burgers in Ede-Zuid en verwijten het bestuur ‘ongevoeligheid en gegoochel met cijfers’.

De gemeenteraad kreeg donderdag 9 september jl. een toelichting op het eindrapport van de commissie die de noodzaak en meerwaarde van brandweerpost Ede-Stadspoort heeft onderzocht. De conclusie van de commissie was dat de brandweerpost Ede-Stadspoort weliswaar meerwaarde bezit maar op grond van door het Algemeen Bestuur van de VGGM in 2015 vastgestelde normen niet noodzakelijk is. En dat is wel bijzonder, vooral met het oog op de rechtmatigheid van de gehanteerde normen en de verwachting van de burger dat het bestuur de geldende wet- en regelgeving toepast.

Het begin van het einde
Tijdens een bijeenkomst in januari 2020 werd de gemeenteraad van Ede geïnformeerd over het organiseren van een 24/7 beroepsbezetting op de post Ede-Centrum per 1 januari 2021. Als gevolg daarvan was de post Ede-Stadspoort niet meer noodzakelijk, aldus de VGGM. Het gevolg is dat de slagkracht van de brandweer in het stadgebied van Ede krimpt van twee parate tankautospuiten (TS) naar één. Vanwege de complexiteit van het vraagstuk hebben de gemeenteraad van Ede en de leden van de post Ede-Stadspoort begin 2020 de expertise van de VBV ingeroepen met het verzoek om een onderbouwde zienswijze op de toekomstplannen van de VGGM. De VBV heeft haar bevindingen op verschillende momenten en manieren ingebracht bij het gemeentebestuur van Ede en ook gepubliceerd op onze website.
Onze reactie op het evaluatierapport en het besluit van het college van B&W kunt u hier lezen.

De feiten op een rij!?
De vraag die bij dit onderwerp nadrukkelijk opkomt is; waarom heeft de gemeente Ede destijds gekozen voor een tweede uitrukpost in Ede-Zuid? Zeer waarschijnlijk om een adequate brandweerzorg te kunnen garanderen in een gebied met allerlei soorten risicovolle gebouwen.
Een dergelijk gebied, met objectcategorieën zoals een ziekenhuis ‘Gelderse Vallei’, grote (zorg)instellingen zoals de ‘Gelderhorst’, een winkelcentrum met een gesloten constructie, risicovolle milieu locaties zoals een BRZO+ bedrijf, en de nodige portiekflats, vraagt op grond van de tijdnormen in artikel 3.2.1, eerste lid, van het Besluit veiligheidsregio’s om snel en adequaat ingrijpen van de brandweer.  Daartoe zijn in wet- en regelgeving eisen, handreikingen en leidraden opgesteld.

Uitgangspunten VGGM niet in lijn met vigerende wet- en regelgeving
Het gemeentebestuur besloot tot een onderzoek naar de meerwaarde van de post. De VBV heeft daarop de startnotitie voor dat onderzoek onder de loep genomen en vervolgens gereageerd op de zogenaamde ‘objectieve criteria’ die de grondslag vormden voor het onderzoek. Er valt namelijk nogal wat af te dingen op deze ‘objectieve criteria’. Sterker nog, maar liefst 3 partijen (ingenieurs- en adviesbureau Anthea Group, de Inspectie JenV en de VBV) hebben onafhankelijk van elkaar kanttekeningen geplaatst bij de uitgangspunten in de beleidsstukken inzake de inrichting van de brandweerzorg in de VGGM. Deze uitgangspunten hebben niettemin geleid tot het besluit van het Algemeen Bestuur (AB) van de VGGM van 24 juni 2015. De belangrijkste ‘kanttekening’, die elk van de 3 partijen afzonderlijk plaatste, was dat de uitgangspunten waarop de VGGM haar repressieve brandweerorganisatie heeft ingericht, niet in lijn waren met vigerende wet- en regelgeving.

Presentatie evaluatierapport – Gebiedsgerichte Opkomsttijden
Ondanks de brandweerkundig goed onderbouwde bezwaren tegen het besluit van het AB uit 2015 en de aanbevelingen van de Inspectie JenV, werden de zelfbedachte normen uit 2015 niet geactualiseerd of gecorrigeerd, maar opnieuw gebruikt als uitganspunt voor de inrichting van een toekomstbestendige brandweerzorg in Ede. Dat maakte dat de uitleg van de commissie over de normen, het dekkingspercentage en de nieuwe systematiek ‘gebiedsgerichte opkomsttijden’ niet alleen onsamenhangend, maar ook onbegrijpelijk. De leden van de gemeenteraad, en in het verlengde daarvan, de burgers, bedrijven en instellingen in Ede krijgen daardoor niet het gewenste beeld van de relatie tussen het risico dat aan bepaalde objecten gebonden is en de slagkracht van de brandweer. Immers, op basis van de risico’s in het verzorgingsgebied en de normering van uitruk- en opkomsttijden wordt de sterkte in mensen en materieel bepaald. Die kwaliteits- (en kwantiteits-) normen zijn door de sector vastgelegd in de Leidraad Repressieve Basisbrandweerzorg en vormen ook de basis van de in de wet vastgelegde eisen voor de brandweerzorg.

Risiconiveaus GGO

Bij de ontwikkeling van het nieuwe (concept)systeem van ‘Gebiedsgerichte Opkomsttijden’ heeft de minister van Justitie en Veiligheid voorwaarden gesteld en is door de lector brandweerkunde van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), gesteund door de gezamenlijke vakorganisaties, een normen- en beoordelingskader voor slagkracht ingebracht, dat is gebaseerd op de professionele opvatting binnen de brandweersector. Zo valt – op grond van een brandrisico-inschatting – in de nieuwe (concept) systematiek van Gebiedsgerichte Opkomsttijden het gebied rondom Ede-Stadspoort in risiconiveau 1. De aan dit niveau gekoppelde slagkracht gaat uit van drie tankautospuiten binnen een referentietijd van 10 minuten en 7 minuten voor een redvoertuig.

Gegoochel met cijfers!?
Zo werd tijdens de presentatie een vraag uit de raad over de slagkracht en opkomsttijd van de tweede tankautospuit bij objecten met niet-zelfredzame bewoners beantwoord met een verwijzing naar het percentage objecten in Ede waarbij de tweede tankautospuit niet binnen 15 minuten ter plaatse kan zijn. Dit percentage zegt echter helemaal niets over een eventuele overschrijding van de opkomsttijd en slagkracht van de brandweer bij een brand in een object met niet-zelfredzamen. Ook niet over de maatregelen die genomen zijn om deze overschrijding te compenseren. Dat maakt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals de wet- en regelgeving dat vereist. Op deze wijze kan niemand objectief beoordelen of een overschrijding aanvaardbaar is of niet.

In het antwoord op de vraag of de brandweer met voldoende middelen aanwezig is voor het redden van levens en het beperken en bestrijden van brand, werd verwezen naar de ‘AB-normering’ en de percentages op blz. 22 van het rapport. De voetnoot ‘Dit betreft alle objecten ongeacht de mogelijke risico’s ervan, een garagebox wordt bijvoorbeeld ook meegeteld als object’ en de toelichting op blz. 15; “Er zullen altijd objecten in het verzorgingsgebied zijn, waar de 2e TS niet binnen 15 minuten na melding ter plaatse kan zijn.”, laat de lezer gissen naar welk type objecten het betreft en welk risico daar te verwachten is. Daarom hebben burgers, vooral de niet-zelfredzamen, in een brandend gebouw, bitter weinig aan de wetenschap hoeveel tankautospuiten er binnen 20 minuten na melding ter plaatse kunnen zijn, als het er nauwelijks meer toe doet. Brand en rook verspreiden zich immers exponentieel, zo stelden het IFV en de Onderzoeksraad (OVV) onlangs nog weer eens vast en kwamen met concrete aanbevelingen en lessen voor de brandweer.

Het belang van de burger
Die burgers willen daarom weten hoe de brandweerzorg in hun eigen leefomgeving ervoor staat, maar dat blijft in Ede én de overige gemeenten in de VGGM een raadsel. Daarom zijn volgens de stelselverantwoordelijke minister en de Inspectie Justitie en Veiligheid de opkomsttijden van de brandweer niet vrijblijvend in te vullen. Generiek afwijken van de tijdnormen uit het Besluit veiligheidsregio’s is niet toegestaan. De minister van Justitie en Veiligheid typeerde het landelijk beeld dat geschetst wordt in het rapport over de opkomsttijden als zorgwekkend. De VBV is van mening dat deze typering ook op de toekomstige brandweerzorg in Ede van toepassing is.

Verruimen en opruimen? Deel 1

 

Onder bovenstaande titel zullen wij u in de komende periode informeren over voorbeelden waar de opkomsttijden, de slagkracht en het uithoudingsvermogen van de brandweer worden aangetast. Dit proces is de afgelopen jaren door bijna alle veiligheidsregio’s vrijwel geruisloos in gang gezet. De VBV is voornemens dit inzichtelijk te maken. De voorgenomen reductie van hulpverleningsvoertuigen in de VGGM is daar een sprekend voorbeeld van. Oordeelt u zelf.

De bevoegdheid voor het bepalen van het beleid ten aanzien van de uitvoering van de taken van de brandweer, is op grond van de Wet veiligheidsregio’s neergelegd bij het Algemeen Bestuur van de veiligheidsregio. Het bestuur bepaalt daarmee ook het kwaliteitsniveau van zowel de brandweerzorg als ook de rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Ondanks dat in ons land voor zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de repressieve basisbrandweerzorg door overheid en de sector gezamenlijk een normeringsdoelstelling (of te wel een advies over na te streven kwaliteitsnormen) is opgesteld, blijken de veiligheidsregio’s voor een efficiënte inrichting (de dimensionering) van de repressieve brandweerorganisatie steeds vindingrijker in het definiëren van ‘eigen’ kwaliteitsnormen. Daarmee is de eenduidigheid en kwaliteit van de brandweerzorg voor de burgers in ons land echter niet gebaat.

Een praktijkvoorbeeld:
Hulpverlening is een van de kerntaken van de brandweer. ‘De trend over de afgelopen vijf jaar is dat er een stijgende lijn zit in het aantal hulpverleningsincidenten en een dalende lijn in het aantal brandincidenten. Het aantal incidenten waarbij een hulpverleningsinzet vanuit de brandweer wordt verwacht, is dan ook gestegen. Tevens is de complexiteit van de inzetten toegenomen’, zo valt te lezen in de nieuwe ‘Landelijke visie Hulpverlening Brandweer’.

In de ‘Regionale visie op Hulpverlening’ van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) ligt dat kennelijk anders. Daar werd het Algemeen Bestuur een ander verhaal voorgelegd. In dit verhaal blijkt de brandweerleiding – in tegenstelling tot de landelijke trend – tot de conclusie te zijn gekomen dat het aantal ongevallen (met beknelling) is afgenomen en de brandweer daarom wel met minder hulpverleningsvoertuigen toe kan. Hiertoe moet dan wel de opkomsttijd voor (spoedeisende) specialistische hulpverlening worden opgerekt en moet rekening worden gehouden met gevoelens van verlies op de brandweerposten en van dubbel nadeel bij de gemeenteraden, aldus de brandweerleiding. Die voorspelling lijkt uit te komen.

Boze brandweermensen
De brandweermensen op de betreffende posten zijn boos en maken zich zorgen over de consequenties van het voorstel. Niet in de laatste plaats omdat de VGGM in 2015 al flink het mes had gezet in de capaciteit van de brandweer. Toen werden maar liefst elf tankautospuiten, twee redvoertuigen en vijf hulpverleningsvoertuigen onttrokken aan de uitruksterkte. De Vrijwilligers van de brandweerpost Duiven, die na het afstoten van hun tweede tankautospuit nu ook het hulpverleningsvoertuig uit hun kazerne zien verdwijnen, trokken aan de bel. Ze lieten zich de mond niet snoeren en schreven een brandbrief naar de gemeenteraad. In die brief werden de plannen van de brandweerleiding vanuit een breder, vakinhoudelijk, en op de praktijk geënt perspectief belicht. En dat is maar goed ook. We leggen hier graag uit waarom ze een punt hebben:

Het verhaal van krimpende budgetten en verruimde normen
Het verhaal van de brandweerleiding is voornamelijk gebaseerd op een tekort aan budget om in overeenstemming met het dekkings- en materieelplan alle vervangingen te kunnen uitvoeren. Dat tekort kan volgens de brandweerleiding worden opgelost door het afstoten van vier hulpverleningsvoertuigen. Hoewel er nog geen besluit is genomen, heeft het Algemeen Bestuur van de VGGM al wel besloten minder aandacht te schenken aan de opkomsttijden en is in de begroting voor 2022 al geanticipeerd op de halvering van het aantal hulpverleningsvoertuigen. De onderbouwing van het voorstel door de brandweerleiding daarentegen is summier en betwistbaar. Voor de uitvoering van het plan moet namelijk de eigen ‘Visie op Basisbrandweerzorg’ én het landelijk normatieve kader opzij worden gezet. Want die gaan allebei uit van specifieke operationele uitgangspunten en branchevoorschriften voor de bepakking van zowel de tankautospuit als het hulpverleningsvoertuig. De opkomst van een hulpverleningsvoertuig is, conform de landelijke normatieve kaders, door het Algemeen Bestuur van de VGGM, vastgesteld op maximaal 15 minuten.

Bovendien is het ‘ombuigen’ van de landelijke toename in het aantal en complexiteit van de hulpverleningsincidenten naar de regionale afname van het aantal beknellingen in (personen) voertuigen, een versimpeling van de grote diversiteit in het type hulpverleningsincidenten en ongevalscenario’s. Daarbij zijn de bestaande risico’s op ongevallen in de samenleving en in het verkeer, zoals ook op de snelwegen A1, A12, A15, A28, A30, A50, A325 en A348, de drukke vaarwegen zoals Rijn en IJssel, en de spoorlijnen met de vele goederen- en passagierstreinen, die 24/7 de VGGM doorkruisen, niet noemenswaardig minder geworden, zo blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek. Daar komt nog bij dat de brandweerleiding de invloed en mogelijke consequenties van hun voorstel op de operationele capaciteiten t.b.v. het regionaal risicoprofiel en het reeds vastgestelde Beleidsplan 2020-2023 onvermeld laat. Uit bijlage 4 van de capaciteitenanalyse van de VGGM blijkt immers al een ontoereikende operationele capaciteit in relatie met waarschijnlijkheid en impact bij het scenario ‘ongeval spoor’.

Aantasting van het beoogd maatschappelijk doel
Objectief beschouwd betekent het verruimen van de opkomsttijd voor (spoedeisende) specialistische hulpverlening een aantasting van het beoogd maatschappelijk doel van de brandweer in de VGGM; minder schade en slachtoffers bij brand en andere incidenten. Daarnaast is het ook een inbreuk op de eigen strategische-  en operationele doelen, te weten: effectief optreden bij brand en andere incidenten en het personeel in staat te stellen op een professionele en veilige manier te werken. Kortom; de brandweermensen uit Duiven hebben zeker een punt als het gaat om de kwaliteit van de brandweerzorg in hun veiligheidsregio in het algemeen en hun eigen gemeente in het bijzonder.

De gemeenteraad van Duiven op zijn beurt ziet met lede ogen de capaciteit van het plaatselijke brandweerkorps alsmaar verder afnemen en de rekening voor de diensten van de VGGM, met name de brandweer, met tonnen toenemen. Echter realiseert de gemeenteraad zich kennelijk onvoldoende dat hij duidelijke keuzemogelijkheden heeft bij de vormgeving van de brandweerzorg, de crisisbeheersing en rampenbestrijding in de veiligheidsregio. Anderzijds bleef de nieuwe ‘Regionale visie op Hulpverlening’ van de VGGM ook buiten beschouwing in het ‘Beleidsplan Brandweer 2020-2023‘ dat in 2019 aan de gemeenteraden ter consultatie werd aangeboden. In een raadsbreed aangenomen motie roept de raad het college van B&W nu op om met het bestuur van de VGGM het gesprek aan te gaan over de grieven die zijn geuit door de brandweer en daarbij mee te nemen dat het van essentieel belang is dat de brandweer beschikt over voldoende en adequaat materieel. Voor wat betreft de kwaliteit van de brandweerzorg en de veiligheid van de burgers in de VGGM zou het van grote waarde zijn als de overige gemeenteraden in de VGGM de oproep uit Duiven zouden steunen.

Stelselverantwoordelijkheid?
Gelet op deze sluipende, maar bestendig krimpende capaciteit van de brandweer en de constatering van de evaluatiecommissie Wet veiligheidsregio’s, dat veiligheidsregio’s in hun plannen aangeven voor specialistische kennis of extra capaciteit te rekenen op ondersteuning door buurregio’s, maar dat er geen zicht is op elkaars capaciteiten, en het feit dat ook het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) geen inzicht heeft in de beschikbare expertise en capaciteit, maakt elk voornemen tot inkrimping van de regionale repressieve capaciteit van de brandweer immers tot een potentieel veiligheidsrisico i.p.v. een verbetering. Het feit dat klaarblijkelijk niemand een betrouwbaar beeld heeft van de operationele capaciteiten in de 25 veiligheidsregio’s zou de minister van Justitie en Veiligheid, als stelselverantwoordelijk minister voor de brandweerzorg, rampenbestrijding en decentrale crisisbeheersing, ernstige zorgen moeten baren.

Nationale Brandweerherdenking

#Brandweerherdenking

Vandaag, de derde zaterdag in juni, herdenken we onze omgekomen collega’s, 98 toegewijde brandweermensen die de hoogste prijs betaalden voor hun inzet voor onze samenleving. Ze gingen van huis en keerden niet meer terug. Op de stenen muur in het hart van het Nationaal Brandweermonument herinneren hun namen op glanzende plaquettes ons aan de schaduwkant van ons prachtige vak en maant een ieder van ons tot waakzaamheid.

Om onze omgekomen collega’s op een respectvolle manier te herdenken roepen we alle korpsen in Nederland op om tijdens de brandweerherdenking op zoveel mogelijk kazernes de brandweervlag halfstok te hangen (van 12.00 tot 15.00 uur) en om gelijktijdig aan het herdenkingsmoment in Arnhem, om 13.00 uur, een minuut lang het ereteken te maken (zie ook de instructie).

Arthur de Wit vertelt waarom hij lid is geworden van de VBV!

Laat meer zien wat de VBV doet

Arthur de Wit is al negen jaar vrijwilliger. In deze tijd is hij bij verschillende veiligheidsregio’s vrijwilliger geweest. Momenteel is hij manschap en chauffeur bij de brandweer in Wilnis. In het dagelijks leven werkt hij als senior manager bij een Internationale bank.

Hoe ken je de VBV?

“Ik kende de VBV wel van naam, maar ik had er geen beeld bij. Tot ik in gesprek kwam met Marcel Dokter die me precies uitlegde wat de VBV allemaal doet voor brandweervrijwilligers. Toen ben ik
ook direct lid geworden, dat is nu zo’n drie jaar geleden.”

Waarom ben je lid van de VBV?

“Ik ben lid geworden omdat ik las wat zij publiceren. Ze nemen deel aan allerlei discussies en overleggen om de belangen van de brandweervrijwilligers te waarborgen of te verbeteren. Dat is niet altijd zichtbaar, maar het is uitermate belangrijk dat de brandweervrijwilligers vertegenwoordigd worden in dit soort discussies.”

Tip van Arthur

“Laat meer zien waar de VBV mee bezig is!”

Waarom Harry Baas lid is geworden van de VBV!

Terugvallen op de VBV

Harry Baas is al 39 jaar brandweerman in Glanerbrug, sinds 10 jaar ook in Losser. Hij is al meer dan 10 jaar lid van de VBV. Daarnaast is hij binnen de brandweer actief voor de OR en het GO. In het werkzame leven was hij zelfstandig ondernemer met een installatietechniekbedrijf en een elektrozaak. Inmiddels legt hij zich toe op zijn werk voor de brandweer en het klussen rond huis en in de tuin.

Hoe ken je de VBV?

“Een collega attendeerde mij op het bestaan van de VBV, ik kende het op dat moment nog niet. Lid worden sprak mij direct aan vanwege ontwikkelingen op onze post op dat moment.”

Waarom ben je lid van de VBV?

“De VBV behartigt de belangen van brandweervrijwilligers. Het is belangrijk dat hier oog voor is omdat het de grootste groep werknemers binnen de brandweer betreft. Zelf zat ik in die tijd in de OR, we konden op de VBV terugvallen en hulp en meedenken vragen rond de ontwikkelingen die speelden en invloed hadden op het functioneren en de waardering van de vrijwilligers.”

 

De Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers is verhuisd!

Vanaf 1 juni 2021 zijn we gevestigd op een nieuw adres!

De Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV) maakte sinds de oprichting in 2007 naar volle tevredenheid gebruik van de faciliteiten van de vakorganisaties ACP en ACOM aan de Larikslaan 1 in Leusden. Nu dat gebouw onlangs is verkocht en de ACP van Leusden naar Baarn is verhuisd, stond de VBV voor de keus om te zien naar mogelijkheden elders of gebruik te maken van het aanbod van andere partners in de veiligheidssector die hun intrek hebben genomen in een kantoorgebouw in Baarn.

Huis voor Veiligheid
Het bestuur en de leden van de VBV hebben gekozen voor vestiging in Baarn. Dit gebouw is mede bedoeld als plek waar de organisaties, leden en medewerkers uit de veiligheidssector elkaar kunnen ontmoeten. Speciaal daarvoor is het kantoor omgedoopt tot ‘Huis voor Veiligheid’ en is de verhuizing naar Baarn ook een logische stap voor de VBV.

Bereikbaarheid
Gelijk aan de faciliteiten (postadres en vergader locatie) in Leusden, voorziet het bestuur en de bedrijfsvoering van de VBV niet in een fysieke werkplek of personele bezetting in Baarn. We zijn bereikbaar via de bestaande contactgegevens en sinds kort ook telefonisch en via WhatsApp (contact).

Bezoekadres Postadres
Tolweg 5
3741 LM
Baarn
Huis voor Veiligheid
t.a.v. Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers
Postbus 147
3740 AC Baarn

De niet gedifferentieerde brandweer

Op 27 mei heeft de Tweede Kamer met haar vaste commissie Justitie en Veiligheid een commissiedebat gevoerd met de Minister van Justitie en Veiligheid. Belangrijkste onderwerp van het debat, taakdifferentiatie bij de Brandweer.

De uitkomst van dit debat mag bijzonder worden genoemd. Kamerbreed werd het voorstel met de denkrichting zoals deze nu is geformuleerd afgewezen. De Minister is gevraagd opnieuw na te gaan of het huidige stelsel van Vrijwillige Brandweer in stand kan blijven.

De Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV) heeft zich de afgelopen drie jaar vastgebeten in dit onderwerp en is dankbaar dat de Tweede Kamer zich zo vierkant tegen taakdifferentiatie heeft uitgesproken.

In het begin van de discussie vroegen wij tevergeefs om te mogen meedenken. Zoeken naar een oplossing voor een juridisch probleem. Het verschil tussen Beroeps en Vrijwillige brandweermensen was te klein. Daardoor was het verschil in beloning in strijd met het gelijkheidsbeginsel van het Europees recht. Om het verschil groter te maken werd een verschil in door brandweermensen uit te voeren taken bedacht. Straks kunnen én doen Beroeps meer dan Vrijwilligers.

Het plan kende een aantal bouwstenen. Als alle bouwstenen worden ingevoerd is het verschil groot genoeg om een verschil in beloning te rechtvaardigen aldus de denkrichting.

Wij vinden dat voor de oplossing van het veronderstelde juridische probleem het verschil moet worden gezocht in de manier waarop wij de brandweer activiteiten gaan doen. Simpel gezegd; de Beroeps vanuit de kazerne en de Vrijwilliger vanuit de privé situatie gealarmeerd door haar of zijn pieper.

Dat vinden wij om twee belangrijke redenen:

  • Alle mensen in Nederland hebben recht op gelijkwaardige brandweer-hulpverlening op het moment dat zij om hulp vragen
  • De brandweer is niet gebaat bij eerste – en tweederangs brandweermensen.

Verder hebben wij politieke partijen in Den Haag gevraagd om aan te dringen op een Europese oplossing van het juridische probleem. Samen met negen andere landen die in Europa dezelfde lobby voeren. Halverwege het proces zijn wij onder druk van de Tweede Kamer alsnog toegelaten tot de denktank. Helaas heeft onze inbreng daar weinig verandering in de denkrichting met vooral taakdifferentiatie opgeleverd.

Gelukkig kwam er wetenschappelijke hulp van juristen van de Universiteit van Leiden.
In het dagblad Trouw verscheen een artikel van de heren Boogerd en Cuyvers waarin zij betoogden dat Vrijwilligheid bij de brandweer in Nederland niet in strijd hoeft te zijn met het gelijkheidsbeginsel van het Europees recht.

Nu de Tweede Kamer heeft gesproken zullen wij ons opnieuw richten tot de Minister van Justitie en Veiligheid en hem vragen om mee te mogen denken. Zoeken naar een oplossing waarbij het mooie Brandweer Vrijwilligerswerk op een volwaardige manier kan blijven bestaan. Dit op een manier waarbij alle inwoners van Nederland kunnen blijven rekenen op een gelijkwaardig niveau van hulpverlening van een kwalitatief hoog niveau.

Voor ruim 6000 van de 19.000 mensen die het Brandweer Vrijwilligerswerk vol overtuiging en passie doen is de VBV de verbindende factor tussen hun stem en de ontwikkelingen in de veiligheidsregio’s. Wij rekenen erop dat de Minister het aan hen wil vragen. Ga alstublieft in gesprek met de mensen die het werk doen en niet alleen met beleidsambtenaren en commandanten/directeuren van de veiligheidsregio.

Ondertussen vragen wij aan de Brandweer Vrijwilligers die nog geen lid zijn van de VBV, sluit je aan. Gekazerneerd, geconsigneerd of vrije instroom? Kom erbij, want lid worden helpt echt!

Marcel Dokter

 

 

 

Ontwikkeling taakdifferentiatie; een interview met Joris Bobeldijk

Ontwikkeling taakdifferentiatie, een interview met Joris Bobeldijk

Joris Bobeldijk is ploegchef bij de kazerne in Boskoop. In het dagelijks leven is hij organisatieadviseur.

Joris is 12,5 jaar vrijwilliger bij de Brandweer. Hij vertelt dat er dit jaar maar liefst 8 jubilarissen in het korps zijn. “Het is een steady groep, we hebben weinig verloop en het voelt als een familie. De jongste is 23, de oudste 55. Een gemêleerd gezelschap waar we veel van elkaar leren.

Hoe ken je de VBV?

“Ik ben nog nieuw, pas 1,5 maand lid van de VBV. Ik heb er eigenlijk niet eerder aan gedacht om lid te worden. Ik ben dan ook de enige op de kazerne die lid is. Zelf houd ik me in mijn werk bezig met taakdifferentiatie en daardoor kwam ik het dossier van de VBV tegen. Toen ben ik ook direct lid geworden. Ik volg het dossier, het is een interessant onderwerp. Ik ben heel benieuwd hoe het zich verder ontwikkelt.”

Waarom ben je lid van de VBV?

“Ik zie de VBV-rol als belangenbehartiger, de vereniging is een tikkeltje eigenwijs en dat spreekt me aan. Ik spreek veel mensen in het land, en dan merk ik dat er best weerstand is tegen de taakdifferentiatie. En niet alleen op de werkvloer. Nu lijkt het wel een poldermodel, maar iedereen is juist gebaat bij duidelijkheid. Ik hoop dan ook dat die duidelijkheid niet te lang op zich laat wachten.”

Tip van Joris voor de VBV:

De brandweer vergroent (na vergrijzing) snel, zet in op het winnen van leden onder de 35.

Taakdifferentiatie Brandweer Vrijwilligers

Taakdifferentiatie Brandweer Vrijwilligers

Nederland zou er totaal anders uitzien zonder vrijwilligers. Dat geldt niet alleen voor de brandweerzorg en rampenbestrijding in ons land, maar ook voor andere essentiële organisaties zoals o.a. de politie, defensie, de KNRM en de reddingsbrigades. Op grond van EU-wet- en regelgeving is door de Minister van Justitie en Veiligheid een juridisch vraagstuk op tafel gelegd. Niemand heeft erom gevraagd, niemand wordt er blij van en niemand heeft baat bij het uithollen van de participatie van intrinsiek gemotiveerde burgers in het veiligheidsdomein. Toch bogen het Veiligheidsberaad en de minister van JenV zich 22 februari jl. over de ‘denkrichting differentiatie brandweertaken’.  Een beslissing kwam er niet maar het invoeren heeft verstrekkende gevolgen voor de brandweer en daarmee de kwaliteit van de brandweerzorg en rampenbestrijding in ons land. Deze taken worden in ons land immers voor het leeuwendeel (zo’n 80%) uitgevoerd door vrijwilligers. Mensen die niet beroepsmatig op een kazerne zitten of slapen, maar opkomen van huis of werk als ze worden gealarmeerd. Dagblad Trouw en het programma Nieuwsuur schenken vandaag ook aandacht aan dit onderwerp. Trouw interviewde drie vrijwilligers en heeft daar een mooi en aansprekend artikel over gemaakt. Het actualiteitenprogramma Nieuwsuur komt vanavond om 21.30 uur op NPO 2 ook met een een reportage.

Tweede Kamer
Ook in de Tweede Kamer is de taakdifferentiatie bij de brandweer onderwerp van gesprek. Vanmiddag spreken Marcel Dokter en Jurriaan Jacobs (resp voorzitter en bestuurslid van de VBV) met leden van de vaste commissie Justitie en Veiligheid in de Tweede Kamer. Dit gesprek is gepland van 16.00 tot 16.45 uur en gaat over de voorstellen om nadrukkelijk onderscheid te gaan maken tussen het werk van vrijwillige – en beroepsbrandweermensen, kortweg; taakdifferentiatie. De VBV heeft hiervoor een gespreksnotitie voorbereid. Van 17.00 tot 17.45 uur gaan de Kamerleden in gesprek met Geerten Boogaard en Armin Cuyvers, die onlangs in dagblad Trouw betoogden dat het Europees arbeidsrecht voldoende ruimte moet laten voor de inzet van professionele Vrijwilligers. Eerder al werden Kamervragen gesteld aan Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid door het lid Van Nispen (SP) over vrijwilligheid bij de brandweer en de leden Yesilgöz-Zegerius (VVD) en Buitenweg (GL) over het onderzoek naar taakdifferentiatie bij de brandweer

De standpunten van de VBV
De standpunten en aanbevelingen van de VBV m.b.t. dit vraagstuk zijn na de eerste signalen rond de Wnra begin 2018 al helder gecommuniceerd en sindsdien ongewijzigd. Via onze memo van 13 juli 2020 hebben we vervolgens getracht de ‘denktank’ ervan te overtuigen dat een tweedeling in eerste- en tweederangs brandweermensen de kwaliteit van ons huidige stelsel ernstig zal aantasten. Zoals uit de landelijke inventarisaties blijkt staan we niet alleen met onze opvatting. Dat sterkt ons in onze gedachten zoals we die in onze brief van 15 januari jl. aan de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben verwoord. Kort en bondig; met het uitvoeren van bouwsteen 1 van de denkrichting (verplicht en niet verplicht als onderscheid) kan het belangrijkste juridische obstakel worden weggenomen. Feitelijk wordt daarmee ten langen leste ook uitvoering gegeven aan de aanbeveling uit 2011 toen n.a.v. onderzoek naar bedrijfsvoeringsmodellen voor de inzet van brandweervrijwilligers door de partijen werd geadviseerd om expliciet onderscheid te maken tussen vrijwilligers en parttimers. Het rapport en de aanbevelingen verdwenen helaas in een diepe la.

De consequenties van het tumult overziend stellen wij onszelf de vraag; in hoeverre slaagt de brandweer er nog in aantrekkelijk te zijn en te blijven voor vrijwilligers? Volgens de minister dragen nieuwe methoden en werkwijzen bij aan een toekomstbestendig brandweerstelsel met een robuuste plaats voor brandweervrijwilligers. Wij hebben daar ook heldere beelden bij en voorstellen voor en brengen die graag tot uitvoering. De VBV participeert daarom ook in het Programma Vrijwilligheid en heeft daar recent de wens geuit om behoudens onderzoek en dikke rapporten nu ook eens de daad bij het woord te voegen en vooral de postcommandanten/ploegchefs (dagelijks direct leidinggevenden van vrijwilligers) daadkrachtig te ondersteunen in het oplossen van knelpunten die in de 850 vrijwilligerskazernes worden ervaren. Naast de steun van 25 werkgevers, rekent de VBV hierbij ook op structurele steun van de minister als systeemverantwoordelijke voor het behoud van het stelsel van vrijwilligheid in ons land.